Inleiding De standaardformule voor de grafiek van een
derdegraadsfunctie is:
y
= ax3 + bx2 + cx + d
Dit noemen we een
derdegraads verband tussen x en y. De getallen a,
b, c en d noemen we ook wel parameters.
Parameters zijn hulpvariabelen waarmee je oneindig veel formules
kort kunt noteren. Als je voor a, b, c
en d getallen invult krijg je een bepaalde formule van een
derdegraads kromme. Deze parameters bepalen of de grafiek globaal
omhoog of juist omlaag loopt, of er een maximum en een minimum in
zit, waar het buigpunt ligt en hoeveel nulpunten er zijn.
Een grafiek van
een derdegraadsfunctie heeft vier belangrijke eigenschappen:
Als a
0 dan loopt de grafiek, afgezien van een eventuele 'dip',
omhoog.
Als a
0 dan loopt de grafiek, afgezien van een eventuele 'hobbel',
omlaag.
De
steilheid van de grafiek. Deze wordt ook bepaald door de
parameter a. Hoe groter a, hoe steiler de
grafiek.
De plaats
van de toppen. De de x-coördinaten van de toppen
komen overeen met de de x-coördinaten van de
nulpunten van de eerste afgeleide functie. Er zijn lang niet
altijd extreme waarden. Waarom?
De plaats
van het buigpunt. De de x-coördinaat van het
buigpunt komt overeen met de de x-coördinaat van het
nulpunt van de tweede afgeleide functie. Er is altijd een
buigpunt.
Ga het volgende
voorbeeld met het onderstaande programma na. Onderaan deze
webpagina staan opgaven die je met
het grafiekenprogramma kunt oplossen. Voordat je aan de slag gaat
kun je, als je dat nog niet gedaan hebt, desgewenst de
volgende onderwerpen doornemen:
Voorbeeld We gaan de grafiek van het standaardfunctievoorschrift
onderzoeken:
f
(x) = ax3 + bx2
+ cx + d
Voer in
onderstaand programma dit functievoorschrift m.b.v. de parameters a,
b, c, en d in. De startwaarden zijn a
= 1, b = 3, c = 1
en d = 1. De parameters zijn zo gekozen dat er een 'dip' in
de grafiek zit.
Voor het interval
op de x-as kiezen we [10;
10] dus Xmin = 10
en Xmax = 10. Voor het interval op de y-as nemen
we [10;
10], dus Ymin = 10
en Ymax = 10. Schakel het programma naar Mode 4 zodat
de afgeleide f ' (x) en
de tweede afgeleide f '' (x)
, die door het programma automatisch berekend worden, ook in beeld
komen. Je kunt dan goed het onderling verband zien. Voer deze
gegevens handmatig of met een klik op de in onderstaand
grafiekenprogramma in.
Het programma is
gestart in Mode 4, zodat de afgeleide f '
(x) en de tweede afgeleide f
'' (x) , die door het programma automatisch berekend
worden, ook in beeld zijn. Je kunt goed het onderling verband
zien.
De de x-coördinaten
van de toppen van f (x)
zijn gelijk aan de x-coördinaten van de nulpunten van
de eerste afgeleide f ' (x).
De grafiek
van f (x) is dalend
daar waar f ' (x)
0, dus waar de grafiek van f ' (x)
onder de x-as ligt.
De de x-coördinaat
van het buigpunt is gelijk aan de de x-coördinaat van
het nulpunt van de tweede afgeleide f
'' (x).
We gaan nu kijken
hoe de grafiek verandert als we a, b, c en d
veranderen. Klik daartoe op Up/Down knop bij de parameter a.
Wat zie je? Varieer ook de parameters b, c en d
en kijk wat het effect op de grafiek van f
(x) is.
Opgaven
Bepaal in
bovenstaand voorbeeld () de coördinaten van de toppen en het
buigpunt.
Het is lang niet altijd zo dat een derdegraadskromme extreme
waarden heeft. Verhoog de parameter c maar eens.
Verklaar wat je ziet. Bij welke waarden van c heb je
geen extreme waarden (toppen) meer? Is er wel altijd een
buigpunt? Verklaar!
Verkenning
van de derdegraadskromme f
(x) = ax3 + bx2
+ cx + d.
Deze formule bestaat uit en zuiver derdegraads gedeelte ax3,
een zuiver kwadratisch gedeelte bx2
en een lineair gedeelte cx + d.
Samen vormen zij de derdegraadskromme f (x).
Schakel het grafiekenprogramma over naar Mode 5 en voer
handmatig of met een druk op de de volgende vier functievoorschriften
en de startwaarden voor de parameters en het Kijkscherm in:
f
(x) = ax3 +
bx2 + cx + d.
g
(x) = ax3, het
derdegraads gedeelte van f (x).
h
(x) = bx2, het
kwadratische gedeelte van f (x).
k
(x) = cx + d, het lineaire gedeelte
van f (x).
De
startwaarden voor de parameters zijn a = 1, b =
3, c = 1
en d = 1. De parameters zijn zo gekozen dat er een
'dip' in de grafiek zit.
Kies voor het interval op de x-as [10;
10], dus Xmin = 10
en Xmax = 10.
Voor het interval op de y-as nemen we [10;
10], dus Ymin = 10
en Ymax = 10.
Er
geldt f (x) = g
(x) + h
(x) + k
(x). De grafiek van f (x)
is de somgrafiek van g (x),
h (x) en k
(x). Varieer de parameters a, b, c
en d en onderzoek hoe de grafieken onderling
samenhangen. Wat gebeurt er als je a varieert? En wat
als je b, c en d verandert? Geef een
verklaring voor datgene wat je ziet.
Voer in Mode
1 het volgende functievoorschrift in:
f
(x) = a(x
b
q)(x
q)(x + b
q) + p
met als
startwaarden a = 1, b = 2,
q = 0 en p = 0 en vul voor de variabele x
alvast x = q in. Vink ook de x- en f
(x)-haarlijn aan. Voer de gegevens handmatig of met een
druk op de in.
Verklaar
de ligging van de snijpunten met de x-as
Varieer a
en geef een verklaring voor wat je ziet.
Varieer p
en q. Geef een verklaring voor wat je ziet.Verklaar
waarom het punt (p, q) op de grafiek ligt.
Het punt (p, q) is een bijzonder punt van de
grafiek. Welk?
Varieer b
en geef een verklaring voor wat je ziet
Met behulp
van de parameters heb je grote invloed op de vorm en ligging
van de derdegraads kromme.
Wiskunde online ----- is speciaal ontworpen voor:
Microsoft
Internet Explorer 5.5 of hoger
Beeldschermresolutie minimaal 800×600
JavaScript-Interpretatie ingeschakeld!
Bijgewerkt: