linker hoekje rechter hoekje

Haakjes wegwerken in de uitdrukking (-a + b)(c - d )

     
    Inhoud

  1. Uitleg en animaties bij  (-a + b)(c - )
  2. Opgaven
  3. Uitwerkingen

Uitleg en animaties bij  (-a + b)(c - d )
Je weet nu hoe je de haakjes in de uitdrukking  (a + b)(c + d ), met  plustekens dus, moet wegwerken. Het wordt moeilijker als er mintekens in voorkomen, zoals in
(-a + b)(c 
- d ). In deze uitdrukking komen twee verschillende mintekens voor:
de - van tekenwisseling bij  -a  en de  -  van aftrekken in  c - d. Op rekenmachines kom je deze twee verschillende mintekens ook tegen. Het minteken van tekenwisseling wordt daar meestal tussen haakjes gezet (-) om het van het gewone minteken te kunnen onderscheiden.

Om uit te leggen hoe je de haakjes moet wegwerken in de uitdrukking
(-a + b)(c - d ) kunnen we beter niet met oppervlakten werken, zoals in de vorige voorbeelden. Dat zou met die mintekens veel te ingewikkeld worden en dan snap je er nog niks van. Het is veel handiger om gewoon de getallen die je met elkaar moet vermenigvuldigen met boogjes te verbinden. In onderstaande animatie wordt dit stap voor stap voorgedaan. Let hierbij goed op hoe je met de mintekens moet omspringen.

Gebruik de control buttons om elke gedachtenstap in beeld te brengen.

start terug       volgende einde

We maken hier gebruik van het feit dat  c - d = c + -d.


Conclusie: (-a + b)(c - d ) = -ac + ad + bc - bd  

  Let op! De regel geldt ook als  abc  of  d  negatieve getallen zijn!
  


Als je dit eenmaal snapt, krijg je vanzelf in de gaten dat het korter kan.

  1. Kijk eerst welke getallen je moet vermenigvuldigen.

  2. Verbind die getallen (inclusief min- en plustekens) met boogjes.

  3. Voer de vermenigvuldigingen uit en let daarbij op de mintekens.

  4. Tel de resultaten bij elkaar op.

Gebruik de control buttons om elke gedachtenstap in beeld te brengen.

start terug       volgende einde

Opgaven

1.

a.   ( a + b )( c - d ) =       d.   ( 2a - b )( c - d ) =
b. -a + b )( p - q ) = e. -5a + 1 )( 3b - 2 ) =
c. ( c - d )( -e + f ) = f. ( 2x - 3y )( a + b ) =

2.

a. ( c - d )( -- f ) = d. -a + b )( c - d ) =
b. ( a + 3 )( -- c ) = e. -- b )( c - d ) =
c. ( a + 3 )( b - 4 ) = f. -2a + 3b )( c - 4 ) =

3.

a. ( a - 3 )( b - 4 ) = d. -6p - 2 )( 2 - 3q ) =
b. -2a + 3 )( 2b - 4 ) = e. ( a - 4 )( -b + 4 ) =
c. -2a + 1 )( -- 1 ) = f. ( 2p - 8q )( r - 1 ) =

Maak eerst zelf de opgaven alvorens je de uitwerkingen gaat bekijken.

Uitwerkingen

Omhoog